In verschillende regio’s in Nederland valt er weinig of geen regen. In Oost-Nederland bijvoorbeeld, is de grondwaterstand sinds 1 maart met 20-30 cm gedaald. En in delen van Noord-Brabant geldt zelfs al een verbod op beregenen met grondwater. Wanneer het gras langdurig geen vocht krijgt, kan er schade optreden. Betekent dit dat het alweer tijd is om te starten met beregenen?
Wacht niet tot de droogte toeslaat. Als de groei van het gras als gevolg van droogte stil staat, schiet de plant in de stress en is er sneller kans op aarvormig. Hierdoor verliest het gras voederwaardekwaliteit en is er minder opbrengst. Wanneer het gras al‘stil staat’ als er wordt beregend, is de efficiëntie ook lager.
Bij de huidige weersvoorspellingen wordt een bodemtemperatuur tussen de 12 en 18 graden bereikt. Dat is de ideale temperatuur voor grasgroei. Het gras verbruikt dan dagelijks zo’n 4-5 mm vocht (grasverdamping). Door de laag onder de zode te beoordelen krijg je een duidelijk beeld van de vochttoestand. De foto hiernaast is van 7 mei, op zandgrond. Deze bodem is nog voldoende vochtig, dus beregenen is nog niet nodig.
Het is wel belangrijk zandgronden goed in de gaten te houden. Zandgronden houden het water minder lang vast in vergelijking tot klei of veen. Zandgrond moet dus eerder worden beregend dan klei of veen om droogteschade te voorkomen.
Je kunt bepalen wanneer het tijd is om te gaan beregen door een gat van 20 cm te graven en de kneedbaarheid van de grond te beoordelen (zie afbeelding). Als deze op 20 cm voldoende vochtig is, dan is beregenen (nog) niet nodig. De grond is dan te kneden tot een vochtige bol. Is de grond kruimelig? Dan is beregenen het advies.
Beregen eerste de weidepercelen, daarna de maaipercelen. Een tekort aan weidegras kan meer financieel nadeel opleveren en te weinig gras kan het beweidingsschema in de war gooien.
Een goede beregeningsplanning is noodzakelijk gezien de toenemende droogte, strengere regelgeving, de kosten en arbeid. Water is soms schaars of gereguleerd (waterschappen, beregeningsverbod). Een planning helpt om water in te zetten waar en wanneer het, het meeste oplevert. Bijvoorbeeld de afweging tussen het beregenen van een zomersnede gras, of juist de kritieke groeifase van mais (kolfvorming). Mais reageert sterk op droogte in juni en juli. Zonder planning kan het zijn dat je het water op dit soort cruciale momenten mist. Gras of mais met een zichtbaar vochttekort heeft al stress en het herstel kost groei én kwaliteit.
Zonder vocht gebeurt er weinig met de mest. Regen is nodig om de drijfmest in de bodem te laten opnemen én om stikstofverlies door ammoniakvervluchtiging te beperken. Wordt er drijfmest geïnjecteerd, dan vloeit deze niet uit door gebrek aan vocht. Wit omcirkelt in de foto hiernaast: een mestsleufje met niet uitgevloeide mest.
In delen van Noord-Brabant mag tot 1 juni geen grondwater worden gebruikt om grasland te beregenen. Deze maatregel is nodig om de grondwatervoorraad te beschermen. Controleer daarom altijd de lokale regelgeving om te zien of er überhaupt beregend mag worden. De mest verdunnen met water is ook in deze gebieden dan een prima oplossing.
Het advies is om mest te verdunnen met water: 1 deel water, 2 delen drijfmest. Door verdunning wordt de ammoniakconcentratie lager, waardoor minder vervluchtiging optreedt en kans op verbranding van het gras afneemt. De mest is vloeibaarder en komt beter in de bodem. Vooral bij een droge toplaag helpt verdunning om de mest de wortelzone in te krijgen.
Korrelkunstmest, maar ook vloeibare meststoffen werken pas als er water beschikbaar is. Zonder neerslag spoelen de mineralen niet in, richting de wortelzone. Dus geen opname, geen groei. In het geval van vloeibare meststoffen is er kans op bladverbranding. Kunstmest heeft ongeveer 10mm neerslag nodig om op te lossen en z’n werk te doen in de wortelzone. Wacht daarom op regen of kies voor beregenen als dit is toegestaan: beperkt dit tot 15 mm. Toch korrelkunstmest gestrooid? Dan doet deze meststof voorlopig niets.
In droogteperiodes kan voldoende kali het verschil maken en zorgen dat het gras er goed doorheen komt. Lagere drijfmestgiften en wisselende gehalten aan kali in rundveedrijfmest vragen om een kritische kijk op de kalibemesting op grasland. Vanaf de tweede snede, zeker als er veel drogestof is geoogst, moet er met kali worden bijbemest om tekorten te voorkomen. Hiermee worden de typische (droogte-) stressfactoren in de zomer en het najaar voor grasland beperkt. Het strooien van 150 kg K-60 is een eenvoudige oplossing om de bodemvoorraad op peil te houden. Ook is het mogelijk te kiezen voor een gecombineerde meststof van stikstof en kali.
Heb je nog vragen of wil je meer informatie? Neem contact met ons op.