Meet jij regelmatig het drogestofgehalte van je brijvoer? Want bij brijvoer is meten écht weten. Een juiste droge‑stofbepaling (DS) vormt de basis voor een stabiel rantsoen, goede mengkwaliteit en een voergift waar je op kunt bouwen. En ja, zelfs een kleine afwijking kan grote gevolgen hebben.
HomeMixx‑specialist Sander Donkers komt het dagelijks tegen op bedrijven: “De droge stof is de stille stuurman van je brijvoer. Als die niet klopt, kan de hele brijvoering uit de pas lopen. Vaak zonder dat je het direct merkt.”
Navigeer snel naar:
Een betrouwbare DS‑meting voorkomt dat varkens structureel te veel of te weinig voeding krijgen. Het is simpel: hoe beter je meet, hoe constanter je voert.
Sander ziet het vaak: “Soms geeft een afwijking van maar één procent droge stof al flinke verschuivingen in de brijvoergift. Dat merk je dan elke dag in de stal.”
Door consequent droge‑stof te meten:
En dat voel je uiteindelijk in zowel de stal als de portemonnee.
Droge‑stofschommelingen beïnvloeden direct belangrijke parameters zoals:
Benieuwd hoe we aan deze ‘stelregels’ komen? Kijk mee in de volgende rekenvoorbeelden.
Reken je met 12% DS voor aardappelstoomschillen en neem je 5% op DS‑basis op?
Dan doseert de installatie 9,58 kg per 100 kg brijvoer.
Maar blijkt de werkelijke DS slechts 10%? Dan had er 11,5 kg in gemoeten. Een afwijking van 20%. Het zetmeelniveau in het afmestvoer ligt dan behoorlijk onder het gewenste niveau.
Een varkensplaats met 750 kg voederverbruik/jaar:
Ruim 100 kg mestverschil per procent DS per plek per jaar.
Op het moment dat de brijvoerinstallatie het laatste voer in de leiding uit doseert met behulp van de stuurvloeistoftank, speelt het soortelijk gewicht een belangrijke rol. De brijvoerinstallatie registreert een afname van de stuurvloeistoftank (veelal water met een soortelijk gewicht van 1,00 kg/l) terwijl er brij wordt uit gedoseerd (vaak met een soortelijk gewicht van 1,06 tot 1,09 kg/l). Als de soortelijk gewichtsinstelling onjuist is ingesteld, krijgen de laatste ventielen op het circuit dus telkens 6 tot 9% voer te veel.
Daarom is het van belang om het soortelijk gewicht en de voerkolom juist positioneren voor een correcte voergift. “We adviseren om bij het eerste en laatste ventiel de droge-stof te meten voor extra monitoring” verteld Sander.
De droge‑stofbepaling is geen detail, maar de fundering van elke brijvoergift. Door regelmatig te meten, afwijkingen tijdig op te sporen en instellingen te controleren, voer je constanter, zuiniger en efficiënter.
Praktische tip van Sander: “Plan het meten van droge‑stof vast in je week. Net als tanken: je wacht niet tot het misgaat. Zo houd je je brijvoerkwaliteit stabiel en voorkom je verrassingen.”
Natte bijproducten bij iedere levering en eindvoeders 1x per week. Brijgrondstoffen variëren nu eenmaal in samenstelling, en die schommeling zie je direct terug in je voergift. Door vaste meetmomenten in te plannen, bijvoorbeeld één keer per week of bij elke nieuwe levering van een bijproduct, houd je jouw rantsoen stabiel en voorkom je verrassingen in de stal.
Dat hangt sterk af van de grondstof. Veel gebruikte bijproducten bewegen ergens tussen de 10% en 35% droge stof, maar daarbinnen zit veel variatie. Het belangrijkste is niet dat het “goed” of “fout” is, maar dat je weet wat het écht is, en dat je de instellingen van je brijvoersysteem daarop aanpast.
Meer dan je denkt. Een afwijking van slechts 1% DS kan al leiden tot 1,3 punt verschil in voederconversie. Krijgen varkens ongemerkt te veel water of juist te veel droge stof? Dan raakt de energiebalans uit verhouding en neemt de efficiëntie snel af. Door DS nauwkeurig te meten, voer je constanter en dat zie je meteen terug in de prestaties.
Door het droge‑stofpercentage consistent te houden. Mestproductie wordt namelijk sterk beïnvloed door de hoeveelheid water die dieren via brijvoer binnenkrijgen. Een afwijking van slechts 1% DS scheelt al ruim 100 kg mest per plek per jaar.
Praktisch betekent dit:
Zo voer je compacter, efficiënter en verlaag je automatisch de mestproductie.