Het voorstel initiatiefwet ‘grondgebondenheid’ is na consultatie op enkele punten aangepast. De aangepaste versie is inmiddels ingediend bij de Tweede Kamer. Er zijn aanpassingen voor zowel het onderdeel grondgebondenheid als het onderdeel verantwoorde mestafzet. Zo worden o.a. biologische mest en mest voor mestverwerking vrijgesteld van de vervoersbeperkingen. Ten aanzien van de ‘Agrarische Hoofdstructuur’ tellen percelen in een straal van 50 kilometer mee. Echter wordt het aantal rustgewassen dat meetelt beperkt. In gebieden ‘Maatschappelijke landbouw’ wordt de GVE-norm voor aangewezen veenweidegebieden vervangen voor een strengere graslandnorm.
De initiatiefwet van de Tweede Kamerleden Holman en Grinwis is als wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel en de toelichting zijn, na consultatie, op een aantal punten aangepast.
Het wetsvoorstel richt zich op een grondgebonden melkveehouderij en een beperking van de regio waar de mest afgezet kan worden. Onderstaand worden, op hoofdlijnen, de aanpassingen in het wetsvoorstel toegelicht.
In Nederland gaat voor melkveebedrijven standaard een graslandnorm gelden van uiteindelijk tenminste 0,35 ha/GVE (2,85 GVE/ha) in 2034. Deze gebieden worden aangeduid als Agrarische Hoofdstructuur (AHS). Daarnaast worden op termijn door provincies ‘Maatschappelijke landbouw’ gebieden (ML) aangewezen waar vanaf 2034 verplicht een norm van maximaal 1,5 GVE/ha gaat gelden.
Per dier geldt een GVE-norm. De norm van een kalf en pink blijven ongewijzigd t.o.v. het eerdere voorstel. De norm voor melkkoeien blijft afhankelijk van de melkproductie. Volgens het eerdere voorstel golden staffels van <5.624 t/m >12.624 kg melk waarbij de GVE-norm op 0,785 tot 1,310 per melkkoe lag (8.125 – 8.624 kg melk was 1 GVE). In het nieuwe voorstel lopen de staffels van <5.600 t/m >15.101 kg melk. Met een GVE-norm van 0,74 tot 1,45 per melkkoe (8.601 - 9.100 kg melk is 1 GVE).
Ten opzichte van het eerdere voorstel wijzigt het afstandscriterium voor de percelen grasland en aangewezen rustgewassen naar 50 kilometer (was 25 km). Hierdoor tellen meer percelen mee voor de graslandnorm (inclusief aangewezen rustgewassen). Dit ruimere criterium geldt ook voor de percelen binnen de samenwerking met de ‘akkerbouwer’.
Anders dan in het eerdere voorstel tellen alleen rustgewassen mee die ‘die kunnen dienen als veevoer voor melkvee en gunstig zijn voor het milieu en bodemkwaliteit’. De rustgewassen moeten daarnaast ook rustgewassen zijn voor het GLB en/of de ‘Meststoffenwet’.
Provincies wijzen gebieden aan waar niet meer dan 1,5 GVE/ha gehouden mag worden. Deze norm geldt niet voor veengrond in ML-gebieden in Friesland, Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. Daar geldt een strengere graslandnorm van tenminste 0,5 ha/GVE grasland (incl. aangewezen rustgewassen) i.p.v. 0,35 ha/GVE. Daarnaast mogen provincies ook andere ML-gebieden aanwijzen waar de GVE-norm van max. 1,5 GVE/ha wordt vervangen voor een strengere graslandnorm dan de standaardnorm voor AHS-gebieden.
In ML-gebieden kan een lagere stikstofgebruiksnorm worden vastgesteld dan gangbaar is volgens de ‘Meststoffenwet’.
Op basis van de voorgestelde wettekst geldt de graslandnorm in alle gebieden, en daardoor ook in ML-gebieden (naast de GVE-norm). De toelichting suggereert dat zodra een ML-gebied is aangewezen de standaard graslandnorm niet meer geldt. Dit zal in de definitieve versie duidelijk moeten worden.
Het afstandscriterium in het voorstel van ‘verantwoorde mestafzet’ vervalt voor biologische mest, mest dat wordt afgevoerd naar een verwerker (incl. export) en mest dat wordt afgevoerd naar een champignonsubstraatbereider.