Biologische bedrijven voldoen aan de mestverwerkingsplicht als de te verwerken mest naar een ander biologisch bedrijf wordt afgevoerd. Vanaf 2025 hoeft dit niet meer binnen hetzelfde kalenderjaar. Dit geldt ook voor bedrijven in omschakeling en voor bedrijven die gedeeltelijk biologisch zijn, die mest afvoeren naar een ander biologisch bedrijf.
De afvoer van biologische mest naar een ander biologisch bedrijf wordt gezien als ‘mestverwerking’ voor de mestverwerkingsplicht. Tot 2024 moest het aandeel te verwerken fosfaat binnen hetzelfde kalenderjaar worden afgevoerd naar een biologische afnemer. Met een wijziging van de ‘Uitvoeringsregeling Meststoffenwet’ hoeft dit vanaf 2025 niet meer binnen hetzelfde kalenderjaar. Hierdoor maar mag het overschot ook in een volgend kalenderjaar worden afgevoerd naar een biologisch bedrijf.
Bedrijven in omschakeling naar biologisch en bedrijven die gedeeltelijk biologisch zijn, kunnen gebruik maken van deze versoepeling. Wanneer de biologische mest (deels) in een volgend jaar wordt afgevoerd naar een biologisch bedrijf, deze bedrijven toch kunnen voldoen aan de mestverwerkingsplicht.
Om de extra stikstofnorm toe te mogen passen, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
RVO heeft schriftelijk aangegeven dat het gestelde maximum gebruik van drijfmest is gebaseerd op de hoeveelheid na het gebruik van de werkingscoëfficiënt (w.c.). Dit betekent dat het bruto gebruik van stikstof beduidend hoger ligt. Bij gebruik van aangevoerde rundveemest op kleigrond (w.c. 60%) houdt dit in, dat per ha 167 kg bruto stikstof (100/0,6), dus nagenoeg de volledige norm van 170 kg stikstof (niet derogatie), gebruikt mag worden. Bij het gebruik van varkensmest op zuidelijk zandgrond (w.c. 80%) houdt dit in, dat per ha 94 kg bruto stikstof (75/0,8) gebruikt mag worden.
In de voorwaarden wordt een maximum gesteld aan het gebruik van drijfmest. Overige stikstofbemesting mag alleen in de vorm van kunstmest. Op basis hiervan heeft RVO schriftelijk aangegeven dat vaste mest en/of overige organische meststoffen op deze percelen in het geheel niet gebruikt mogen worden.
Voor de reeds bestaande mogelijkheid op kleigrond zijn geen beperkingen t.a.v. drijfmestgebruik opgenomen.
De bovengemiddelde opbrengst, zoals genoemd in de tabel, betreft de gemiddelde jaarlijkse opbrengst (excl. tarra) van het totale areaal van het betreffende gewas. Om gebruik te maken van één van deze regelingen moet over de drie voorafgaande jaren, elk individueel jaar, aan de gemiddelde jaaropbrengsteisen worden voldaan.
De gemiddelde opbrengst van de gewassen voor de reeds bestaande mogelijkheid op kleigrond betreft alleen de opbrengst van het betreffende gewas op kleigrond.
Voor de bepaling van de opbrengst tellen alleen de afgeleverde hoeveelheden mee. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
Voor wat betreft de opbrengst van suikerbieten, consumptieaardappelrassen (de rassen uit Tabel 2a van de Tabellenbrochure), wintertarwe, zomertarwe, wintergerst en zomergerst moeten de afnemers gemachtigd worden om de benodigde gegevens aan RVO te verstrekken.
Voor de overige gewassen moeten de volgende bewijsstukken aanwezig zijn:
Een schriftelijk bewijs van de hoeveelheid gewas dat aan een afnemer is geleverd. Hieronder vallen in ieder geval facturen, afleverbewijzen en historische financiële informatie.
Een samenstellingsverklaring van een accountant ‘waaruit blijkt, dat de gewasopbrengst die aan een afnemer zou zijn geleverd in overeenstemming is met het door de landbouwer verstrekte schriftelijk bewijs’.
Bedrijven die de stikstofdifferentiatie voor alle grondsoorten willen toepassen, moeten zich uiterlijk 1 juni van het betreffende jaar aanmelden. Voor bedrijven die de stikstofdifferentiatie voor kleigrond willen toepassen, is de uiterste aanmelddatum 15 mei.
In de administratie moeten de volgende zaken over de afgelopen 3 jaar worden vastgelegd: