Onlangs heeft minister Van Essen van LVVN, namens het kabinet, de aanpak van de stikstofproblematiek bekend gemaakt. Doel is o.a. om, op termijn, vergunningverlening weer mogelijk te maken voor woningbouw, industrie, landbouw en andere projecten. De voorgestelde aanpak, die o.a. gaat over generieke stikstofreductie, gebiedsgerichte inzet en natuurverbetering, moet nog verder worden uitgewerkt. Voor de zomer worden voor bepaalde onderdelen keuzes voor verdere uitwerking gemaakt.
In de Kamerbrief ‘Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof’ gaat de minister in op de aanpak stikstofproblematiek met als uiteindelijke doel om vergunningverlening weer mogelijk te maken. De aanpak moet nog verder worden uitgewerkt, maar de minister geeft in de Kamerbrief aan dat ‘op korte termijn diverse, soms ingrijpende besluiten nodig zijn’. Dit moet uiteindelijk leiden tot ‘duidelijkheid en duurzaam perspectief voor boeren, natuur en Nederland’.
Voor de zomer worden bepaalde onderdelen verder uitgewerkt en worden hiervoor (belangrijke) keuzes gemaakt.
De aanpak van de stikstofproblematiek wordt gebaseerd op zeven pijlers. De uitgangspunten voor deze aanpak staan vermeld op pagina 2 van de Kamerbrief.
Voor de reductie van ammoniak en stikstofoxiden worden voor landbouw en industrie afzonderlijke reductiedoelen vastgesteld. Voor de landbouw gaan de volgende reductiedoelen t.o.v. 2019 gelden:
Voor het behalen van de reductiedoelen wordt ingezet op zes ‘sporen’:
Voor alle drie de wijzigingen omtrent het productierechtenstelsel moet regelgeving worden aangepast. De ‘plek’ van de wijziging bepaalt de doorlooptijd en impact. Echter een meerderheid in de Eerste en Tweede Kamer moeten in alle gevallen achter de wijzigingen staan.
De minister kan met goedvinden van de Eerste en Tweede Kamer de afromingspercentages op de dierrechten herzien. Binnen de huidige wettelijke kaders kan deze per sector op maximaal 30% worden vastgesteld. Het instellen van een afromingspercentage is niet gekoppeld aan een voorwaarde en kan dus ten alle tijden worden opgelegd. Naar verwachting zal voor varkens- en pluimveerechten weer afroming plaatsvinden bij overdracht. De hoogte is onbekend (max. 30%). Voor fosfaatrechten is de verwachting dat het huidige percentage van 30% gehandhaafd blijft.
De (nieuwe) afromingspercentages gelden bij overdrachten ‘buiten familieverband’. Mogelijk blijft de huidige uitwerking omtrent de afroming gelijk. Echter is het ook denkbaar dat de uitwerking wordt aangescherpt en er dus vaker afroming plaatsvindt bij overdracht van productierechten.
Daarnaast wordt voor de zomer bekend gemaakt of ‘andere specifieke generieke reductiemaatregelen’ nodig zijn. In dit kader is eerder aangegeven dat mogelijk productierechten voor geiten en/of kalveren worden ingevoerd.
In de verdere toekomst wordt beoordeeld of het nodig wordt geacht om generieke kortingen op dier- en of fosfaatrechten door te voeren als de reductiedoelen in 2035 niet worden gehaald. Echter een generieke korting kan, op dit moment, alleen worden opgelegd als sectorale mestplafonds (in combinatie met het nationale mestplafond) worden overschreden. Zie Titel 5b van de ‘Meststoffenwet’. Voor invoering van generieke kortingen op productierechten, vanwege reductiedoelstellingen, moet de wet worden aangepast. In de Kamerbrief wordt dit ook aangegeven.
Voor het behalen van de reductiedoelen worden voor ammoniak en broeikasgassen bedrijfsspecifieke emissienormen vastgesteld. Iedere bedrijf zal op termijn aan deze bedrijfsspecifieke emissienormen moeten voldoen. De emissienormen worden ‘met prioriteit’ uitgewerkt. Mogelijk dat, in eerste instantie, emissienormen voor de melkveehouderij gaan gelden.
Het kabinet voert uiterlijk in 2032 een norm voor grondgebondenheid melkveehouderij in. Uitgangspunt voor deze grondgebondenheid is een, zo veel mogelijk, gesloten kringloop op bedrijfsniveau.
Het is de bedoeling dat vrijwillige beëindigingsregelingen worden voortgezet. Daarbij worden deze regelingen meer gericht op bedrijven in een zones rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden.
Het kabinet zet in op, een verder uitwerking van, een gebiedsgerichte aanpak. De volgende gebieden krijgen hierbij extra aandacht:
Rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden worden zones aangewezen. In deze zones is een hogere emissiereductie nodig. Daarnaast worden in deze zones het landbouwkundig gebruik en de inrichting van de zone aangepast aan de doelstellingen van het Natura 2000-gebied. Om de doelstellingen te kunnen halen zullen bedrijven in deze zones verder moet extensiveren (grondgebonden landbouw) of innoveren (emissiearmere veehouderij), naast eventueel omschakelen, verplaatsen of beëindigen.
Om natuurherstel in Natura 2000-gebieden te realiseren, zijn ook maatregelen nodig in de omliggende zones, zoals bijvoorbeeld op het gebied van hydrologie.
Met de ‘gebiedsgerichte aanpak’ is al eerder een start gemaakt in prioritaire gebieden. Het kabinet gaat hier in eerste instantie mee verder. Het betreft de gebieden Veluwe, de Peel, Groene Hart, Hart van het Noorden en Noordwest Overijssel.
In natuurgebieden wordt verder ingezet op behoud en verbetering van de natuur. Naast ‘stikstof’ is er ook aandacht voor o.a. verdroging en invasieve soorten.
In de zones rondom natuurgebieden wordt, waar nodig, ook ingezet op uitbreiding van ‘natuur’.
Ook investeert het kabinet structureel in natuurbeheer door terreinbeherende organisaties en andere natuurbeheerders.
Binnen deze pijler wil het kabinet o.a. de volgende zaken oppakken:
De komende tien jaar komt er financiële en faciliterende ondersteuning voor landbouwbedrijven, om te komen tot een toekomstbestendige landbouwsector.
Binnen het beleid om de landbouw te verduurzamen is er ook aandacht voor sociaaleconomische aspecten in regionale gebieden en streken. Het kabinet wil dit oppakken in samenwerking met lagere overheden en diverse andere organisaties.
Bij de maatregelen op het gebied van stikstofreductie en natuurverbetering wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met andere opgaven zoals, klimaat, water, gewasbeschermingsmiddelen en dierwaardigheid. In de Kamerbrief wordt bij Pijler 7 aangeven welke processen hiervoor inmiddels lopen of in gang worden gezet.
Het kabinet wil o.a. de volgende zaken nog voor de zomer oppakken:
Volgens minister Van Essen volgt op korte termijn een beleidsbrief met daarin een nadere uitwerking van de planning.