Voor het (tijdelijk) opslaan van vaste mest (op kopakkers) gelden bepaalde landelijke regels. In dit bericht wordt ingegaan op de algemene regels die gelden voor mestopslagen voor vaste dierlijke mest vanaf 3 m3. Bij bedrijven die vergunningsplichtig zijn, zijn de regels opgenomen in de milieuvergunning. Voor beide situaties geldt dat ook regels kunnen gelden uit een eventuele Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Voor zowel vergunningsplichtige bedrijven (vergunning milieubelastende activiteiten) als bedrijven die kunnen volstaan met een melding gelden regels uit het ‘Besluit activiteiten leefomgeving’ en het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’.
Vaste mest is mest die niet verpompbaar is.
De regels t.a.v. de opslag van vaste mest zijn bedoeld om geuroverlast te beperken en de bodem en het oppervlaktewater te beschermen. Naast onderstaande regels geldt de algemene regel dat nadelige gevolgen voor het milieu moeten worden voorkomen.
De afstand van de opslag van vaste mest (van landbouwhuisdieren) tot een geurgevoelig object is minimaal:
Bovenstaande normen gelden voor mestopslagen (vast mest) tot een volume van 600 m3. Voor grotere opslagen gelden waarschijnlijk (aanvullende) regels vanuit de gemeente.
Bovengenoemde afstanden zijn niet van toepassing als de mestopslag al voor 1 januari 2013 aanwezig is en verplaatsing van de mestopslag redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Daarbij moeten maatregelen zijn genomen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken.
Om vervuiling naar de bodem en het oppervlaktewater te voorkomen, zijn maatregelen van toepassing, die o.a. afhankelijk zijn van de tijdsduur van de opslag van vaste mest. Daarnaast moeten bij vloeistofkerende of vloeistofdichte voorzieningen de vloeistoffen worden opgevangen. Voor droge pluimveemest gelden iets andere regels.
Voor de opslag van vaste mest korter dan twee weken op dezelfde plek gelden onderstaande regels niet. Wel geldt de algemene regel dat nadelige gevolgen voor het milieu moeten worden voorkomen.
Voor de opslag van vaste mest tussen de twee weken en zes maanden op onverharde oppervlakte gelden de volgende voorwaarden:
De mest mag (uiteraard) ook worden opgeslagen op een verharde vloeistofkerende- of vloeistofdichte voorziening.
Bij een opslag van vaste mest langer dan een half jaar geldt dat de mest moet worden opgeslagen op tenminste een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening. Bijvoorbeeld een mestdichte plaat met eventueel opstaande randen. De vloeistoffen moeten opgevangen worden in een opslagvoorziening.
Voor de opslag van niet-gedroogde pluimveemest korter dan een 6 maanden gelden dezelfde regels als voor de opslag van vaste mest korter dan 6 maanden.
Gedroogde pluimveemest moet worden opgeslagen in een gebouw (langer of korter dan een half jaar). De opslag moet voorzien zijn van tenminste een vloeistofkerende of vloeistofdichte voorziening. Er hoeft geen voorziening zijn aangebracht voor de opvang van vloeistoffen. Het gebouw moet voldoende ventileren zodat condensvorming wordt voorkomen. De pluimveemest moet beschermd zijn tegen weersinvloeden, zoals regen.
Als pluimveemest tenminste elke twee weken wordt afgevoerd mag de gedroogde mest ook worden opgeslagen in een afgedekte container.
Naast de algemene voorwaarden kan het zijn dat voor de opslag van vaste mest op een kopakker (aanvullende) regels zijn opgesteld door de gemeente. Deze regels zullen dan opgenomen zijn in de ‘Algemene Plaatselijke Verordening’ (APV). Deze regels kunnen vergelijkbaar zijn met de algemene regels. Het is echter ook mogelijk dat er andere of aanvullende regels gelden.