Middels het ‘Startpakket Nederland van het slot’ heeft de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel de eerste uitwerking van een nieuwe aanpak bekend gemaakt. Het startpakket is een eerste stap om vergunningverlening weer mogelijk te maken. Daarnaast wordt een pakket van maatregelen genoemd die moet zorgen voor een structurele daling van de stikstofemissies. De maatregelen zijn nog niet concreet uitgewerkt. De komende maanden wordt hier verder invulling aan gegeven en in augustus wordt verdere besluitvorming verwacht.
Begin dit jaar heeft het kabinet de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (Ministeriële Commissie) aangesteld. De Ministeriële Commissie heeft als doel om een programma uit te werken om Nederland van het stikstofslot te halen. De Ministeriële commissie bestaat uit diverse ministers en staatsecretarissen van het huidige kabinet.
In de Kamerbrief ‘Startpakket Nederland van het slot’ gaat minister Wiersma van LVVN, mede namens de Ministeriële Commissie, in op de eerste uitwerking van de nieuwe aanpak om Nederland van het stikstofslot te halen. Volgens de minister is de brief ‘… niet het eindpunt, maar het startschot om de vergunningverlening weer mogelijk te maken en perspectief te bieden’. Dit betekent o.a. dat de in de brief genoemde ‘viersporenaanpak’ nog verder moet worden uitgewerkt. Ook moeten de natuurmaatregelen voldoende effect hebben en hiervoor geborgd zijn. Verder moeten voldoende financiële middelen beschikbaar komen.
Naast de € 600 miljoen die in de Voorjaarsnota is opgenomen, komt voor de korte termijn eenmalig € 1,6 miljard extra beschikbaar. Dit extra bedrag is vooral bedoeld voor maatregelen op de korte termijn voor de landbouw. Verder komt structureel € 213 miljoen per jaar beschikbaar voor Agrarisch natuurbeheer. Dit bedrag komt uit het structureel gereserveerde bedrag van € 500 miljoen per jaar voor Agrarisch natuurbeheer dat is opgenomen in het hoofdlijnenakkoord.
Voor de verdere uitwerking en toepassing van maatregelen zal (fors) meer budget nodig zijn. In de Kamerbrief wordt hier verder niet op ingegaan.
Voor de oplossing van het stikstofprobleem is gekozen voor een viersporenaanpak:
De Ministeriële Commissie kiest, namens het kabinet, ervoor om de systematiek van vergunningverlening fundamenteel te herzien. De huidige vergunningssystematiek lijkt immers niet meer houdbaar. Het doel is om na de zomer een nieuw vergunningsstelsel te presenteren, gebaseerd op een beter inzicht in de staat van de natuur en alle bijbehorende drukfactoren. Zie de Kamerbrief (pag. 4) voor de eerste contouren van een mogelijke uitwerking van een nieuw stelsel van vergunningverlening.
Het is de bedoeling dat het nieuwe vergunningsstelsel ook een oplossing biedt voor ondernemers die in de problemen zijn gekomen, zoals PAS-melders en ondernemers die de afgelopen jaren gebruik hebben gemaakt van intern salderen.
Het nieuwe vergunningsstelsel moet via een spoedwet worden geregeld. In deze spoedwet wordt ook de uitwerking van spoor 2 opgenomen.
In de Kamerbrief zijn voor de korte termijn de volgende acties opgenomen:
Binnen spoor 2 wordt ingezet op:
Voor de landbouwsector zijn enkele acties voor de korte termijn benoemd.
Het kabinet wil een tijdelijke, vrijwillige extensiveringsregeling voor de melkveehouderij mogelijk maken. Hierbij moet een permanente emissiereductie worden geborgd. Dit plan is al eerder door de zuivelsector aangedragen in het kader van de mestproblematiek.
De zuivelsector en de banken verkennen de mogelijkheid voor een substantiële private bijdrage. Het is de bedoeling dat de sector op korte termijn met een concreet en geborgd plan komt.
Voor deze regeling komt € 627 miljoen beschikbaar (2025-2029).
Er komt een vrijwillige beëindigingsregeling voor veehouders die willen stoppen, bijvoorbeeld vanwege gebrek aan bedrijfsopvolging. Deze regeling richt zich op gebieden met de meest urgente stikstofproblematiek.
Voor deze regeling komt € 750 miljoen beschikbaar (2026-2028).
‘Doelsturing’ op bedrijfsniveau wordt verder ontwikkelt. Hierbij wordt ook gekeken naar normen, data-infrastructuur, toezicht en handhaving. De komende jaren wordt toegewerkt naar een stoffenbalans op bedrijfsniveau, en wordt geïnvesteerd in sensoren en meetsystemen. Bedrijven kunnen worden ondersteund met benchmarkgegevens en kennis over reductiemaatregelen. Voor waterkwaliteit wordt gewerkt aan een doelgerichte aanpak met de sector, gebaseerd op indicatoren zoals stikstofmetingen.
Voor deze ontwikkeling komt € 200 miljoen beschikbaar (2026-2030).
Het uiteindelijke doel is een afrekenbare stoffenbalans in 2035 gebaseerd op bedrijfsspecifieke normen.
Naast generiek beleid kiest het kabinet ook voor regionale aanpak. Hierbij wordt in eerste instantie gedacht aan het instellen van een zone van 250 meter rondom overbelaste hexagonen in de Natura 2000-gebieden de Veluwe en de Peel. Voor bedrijven met gebouwen en/of grond in dit gebied gaan extra opgaven gelden, zoals bijvoorbeeld (strengere) gebiedsgerichte normen. Ook wordt ingezet op innoveren, extensiveren, verplaatsen en stoppen. Daarbij kunnen binnen deze zones emissiearme technieken wellicht versneld worden ingezet.
Voor deze aanpak wordt, vanuit de Voorjaarsnota, € 600 miljoen ingezet.
Voor Agrarisch natuurbeheer is, vanuit het Hoofdlijnenakkoord, structureel € 500 miljoen gereserveerd. Hiervan komt de komende jaren € 213 miljoen per jaar beschikbaar voor gebieden ‘met de hoogste prioriteit’.
Om natuurherstel te waarborgen en vergunningverlening mogelijk te maken, moeten maatregelen effectief zijn en goed worden gecontroleerd. Daarom worden, waar dat passend is, maatregelen in wet- en regelgeving vastgelegd en wordt er toezicht en handhaving ingericht. Het kabinet legt doelstellingen voor emissiereductie tot 2035 vast en richt een tweejaarlijkse monitoring in (vanaf 2027) om de voortgang van de realisatie van deze emissiereductie ten opzichte van de doelen voor 2035 vast te stellen.
Binnen spoor 3 is er aandacht voor de maatschappelijke en sociaaleconomische gevolgen van de rechterlijke uitspraak. Inmiddels is een analyse gemaakt van de impact van de uitspraken van de Raad van State over intern salderen. Daarnaast is er een vragenloket voor ondernemers en medeoverheden opgezet.
Bedrijven die in de periode van 2020-2025 gebruik hebben gemaakt van intern salderen zijn, door de uitspraak, vergunningplichtig geworden.
De uitwerking van de gevolgen van deze uitspraak hangt nauw samen met de maatregelen die in spoor 2 worden getroffen en de verdere ontwikkelingen in spoor 1. Met de vervolgstappen zal spoor 3 zodoende in samenhang met de andere sporen verdere invulling krijgen.
In overleg met ‘Brussel’ wordt onderzocht of de genoemde maatregelen kunnen vastlopen op EU-regelgeving en/of dat hiervoor goedkeuring van de Europese Commissie nodig is. Daarnaast wordt, voor de lange termijn, gekeken naar mogelijkheden voor aanpassing van EU wet- en regelgeving en het herijken van de Natura 2000-gebieden.
Op dit moment is het de vraag of de inzet van Nederland voor ‘Brussel’ voldoende is. In de Kamerbrief wordt immers aangegeven dat de Europese Commissie benadrukt dat ‘het van belang is dat Nederland stappen zet om te komen tot een oplossing van de opgave ten aanzien van de staat van de natuur’.
De komende maanden worden de maatregelen en de vergunningensystematiek verder uitgewerkt. In augustus is een nieuw besluitvormingsmoment gepland, waarbij mogelijk besloten wordt over de omvang van de maatregelen en de bijbehorende financiering. Vervolgens worden de benodigde wijzigingen in wet- en regelgeving in procedure gebracht.
Voor deze besluitvorming wordt aan een samenwerkingsverband van kennisinstellingen (PBL, RIVM, Deltares en WUR) gevraagd om een analyse te maken van de effecten van de reductie- en natuurmaatregelen.
Hierbij wordt ook gekeken naar maatschappelijke en sociaaleconomische gevolgen.