Bedrijven met een derogatievergunning kunnen, onder voorwaarden, een hogere dierlijke stikstofgebruiksnorm toepassen. De hogere stikstofnorm geldt alleen voor graasdierenmest. De hoogte van de derogatienorm en de voorwaarden zijn afhankelijk van de grondsoort en de ligging van het perceel. In sommige gebieden is de derogatienorm nooit van toepassing.
De volgende stikstofgebruiksnormen (dierlijk) gelden voor graasdierenmest op bedrijven die gebruik maken van de derogatie:
In 2025 zijn de volgende gebieden als NV-gebied aangewezen:
De NV-gebieden zijn te vinden in ‘Mijn percelen’.
De derogatienorm is alleen van toepassing voor graasdierenmest. Het gebruik van, op het bedrijf geproduceerde of aangevoerde, staldierenmest is op derogatiebedrijven wel toegestaan, maar voor de benodigde oppervlakte geldt de standaardnorm van 170 kg N dierlijke mest per ha.
Op natuurgronden (percelen met de hoofdfunctie natuur) gelden vanuit de Meststoffenwet geen gebruiksnormen. Om deze reden tellen deze percelen niet mee voor de derogatienorm. De percelen tellen ook niet mee voor de 80% graslandeis en hoeven niet bemonsterd te worden.
De derogatienorm is alleen van toepassing als de landbouwgrond beschikbaar is ‘voor het op of in de bodem brengen van meststoffen’.
Landbouwgrond waarop zowel beweiding en bemesting niet zijn toegestaan tellen niet mee voor derogatie. Hieronder vallen ook bufferstroken. Deze percelen tellen ook niet mee voor de 80% graslandeis en hoeven niet bemonsterd te worden.
De hogere derogatienormen (190 kg N/200 kg N) zijn niet van toepassing op percelen in de onderstaande gebieden:
Een perceel ligt in bovengenoemd gebied wanneer 50% of meer van het topografische perceel in het gebied ligt.
RVO heeft in ‘Mijn percelen’ kaartlagen waarop te zien is of een perceel in één van bovengenoemde gebieden is gelegen.
Een derogatiebedrijf met percelen in een Natura-2000 gebied, derogatie vrije zone en/of een grondwaterbeschermingsgebied moet op deze percelen wel voldoen aan de derogatievoorwaarden, zoals o.a. het nemen van een grondmonster. Ook tellen deze percelen mee voor de 80% graslandeis.
Voor 2025 gelden de volgende voorwaarden voor derogatiebedrijven:
Op klei- en veengrond, in gebruik op derogatiebedrijven, gelden aanvullende voorwaarden. Deze zijn vergelijkbaar met de voorwaarden die algemeen al op zand- en lössgrond gelden. Sommige aanvullende voorwaarden gelden alleen voor klei- en veengrond gelegen in een NV-gebied.
De stikstoftotaalnorm wordt gekort met:
Om stikstofbemesting te mogen toepassen is een graslandvernietigingsmonster verplicht om de stikstofbehoefte aan te tonen, tenzij de 65 kg korting bij de teelt van mais van toepassing is dan is stikstofbemesting ‘altijd’ toegestaan.
Bovenstaande korting van 65 kg/ha bij mais is niet van toepassing indien:
In bovenstaande gevallen is een graslandvernietigingsmonster (voor stikstofbemesting) wel verplicht om, indien stikstofbehoefte is aangetoond, stikstof te mogen bemesten.
Indien grasland wordt vernietigd op percelen klei- en veengrond in een NV-gebied op derogatiebedrijven:
Indien grasland wordt vernieuwd in de periode van 1 juni t/m 31 augustus moet voorafgaand melding worden gedaan bij RVO.
Op klei- en veengronden in een NV-gebied moeten derogatiebedrijven verplicht een vanggewas telen na de teelt van mais. Het toegestane vanggewas en de instandhoudingsperiode is afhankelijk van het inzaaimoment. Anders dan bij het verplichte vanggewas op zand- en lössgrond geldt geen uiterste inzaaidatum voor het vanggewas.
Indien een vanggewas direct aansluitend op de teelt van snijmais wordt geteeld mogen de volgende gewassen worden geteeld: gras, winterrogge, bladkool, bladrammenas, wintertarwe, wintergerst, triticale of Japanse haver. Betreft het bio snijmais of een andere vorm van mais dan mag daarnaast ook spelt worden geteeld. Het vanggewas moet tenminste t/m 31 januari in stand worden gehouden.
Wordt het vanggewas niet ‘direct’ aansluitend geteeld? Dan moet één van de volgende wintergranen als vanggewas worden geteeld, spelt, triticale, wintergerst, winterrogge of wintertarwe. Het gewas moet in het daaropvolgende jaar als hoofdteelt worden geteeld.
Onderstaande wettelijke voorwaarden zijn voor alle bedrijven van toepassing (ook zonder derogatie). Deze voorwaarden zijn echter ook expliciet als derogatievoorwaarde genoemd. Daardoor kan een overtreding ook leiden tot intrekking van de derogatievergunning. Het betreft:
Aan het afgeven van de derogatievergunning zijn € 50 leges verbonden. Daarnaast worden ‘kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden’ in rekening gebracht. De hoogte hiervan zijn afhankelijk van het areaal. Deze starten op € 17,40 voor de eerste 5 ha, per 5 ha komt daar € 34,80 bij.
De derogatievergunning kan worden overgedragen bij:
Na de overdracht moet de overnemer blijven voldoen aan de derogatievoorwaarden.
Indien niet aan alle voorwaarden wordt voldaan kan de derogatievergunning worden ingetrokken. In het jaar dat de derogatievergunning is ingetrokken moet het bedrijf de reguliere gebruiksnorm van 170 kg N per ha toepassen.
Indien RVO de derogatie intrekt kan in het daaropvolgende kalenderjaar geen derogatie meer worden aangevraagd.
Trekt het landbouwbedrijf de derogatie zelf in op uiterlijk 15 mei van het aanvraagjaar? Dan worden ‘kosten die samenhangen met monitoringswerkzaamheden’ niet in rekening gebracht.