Dit jaar loopt de huidige derogatieperiode af. Daarmee vervallen vanaf 2026 de aanvullende maatregelen zoals die gelden voor bedrijven met een derogatievergunning. De kans dat Nederland vanaf 2026 weer gebruik kan maken van een vorm van derogatie is (zeer) klein. Ongeacht het ‘vervallen’ van de derogatie blijven generieke maatregelen, die zijn ingevoerd naar aanleiding van de derogatie, voor alle bedrijven van kracht.
De huidige derogatiebeschikking loopt t/m 2025. Voor 2026 is een derogatieverzoek ingediend bij de Europese Commissie (EC). Het officiële besluit hierover moet nog volgen, maar uit een verslag van Tweede Kamerleden blijkt dat de kans op een nieuwe derogatie ‘nihil’ is. De EC geeft hiervoor diverse redenen. Allereerst wil de EC af van uitzonderingen (o.a. derogatie) t.o.v. de standaardregels. Daarnaast ziet de EC Renure als een alternatief voor derogatie. Tot slot heeft de EC onvoldoende vertrouwen in het Nederlandse beleid en de voortgang om de kwaliteitsdoelen te behalen. Derogatie voor 2026 lijkt hiermee uitgesloten.
Op basis van de huidige regelgeving vervallen onderstaande maatregelen per 2026. Praktisch betekent dit een versoepeling voor huidige derogatiebedrijven.
De 80% graslandeis vervalt. Er is geen (andere) wettelijke ondergrens op bedrijfsniveau. Echter bedrijven die ‘(minder dan) 75% gras’ aanhouden krijgen te maken met verplichte gewasrotatie vanuit het GLB.
Bedrijven met ‘meer dan 75% gras’ zijn vrijgesteld van de gewasrotatie-eis vanuit het GLB (GLMC 7). Wanneer niet meer zou worden voldaan aan de vrijstelling, moet gewasrotatie worden toegepast. Hierdoor moet o.a. in 2026 een andere hoofdteelt worden geteeld op ieder perceel waar vanaf 2023 continuteelt is toegepast. Het maakt daarbij niet uit dat het bedrijf eerder was vrijgesteld.
Vanaf 2026 vervalt het verbod op fosfaatkunstmest vanuit de derogatiebeschikking. Ieder bedrijf mag dan in principe (weer) fosfaatkunstmest gebruiken.
Het is vanaf 2026 niet meer verplicht om geldige grondmonsters te hebben van alle landbouwgrond. Deze hoeven dus ook niet meer te worden meegenomen in het bemestingsplan. Het maken van een bemestingsplan blijft wel verplicht (zie verderop in dit bericht).
Als het bedrijf fosfaatdifferentiatie wil (blijven) toepassen zijn geldige grondmonsters van de betreffende percelen wel nodig. Als gebruik wordt gemaakt van gestratificeerde monsters mogen deze, anders dan voor de derogatie, maximaal 20 ha beslaan. Voor standaard monsters blijft de bemonsteringseenheid maximaal 5 ha.
Vanaf 2026 gelden voor alle klei- en veengronden dezelfde ‘standaard’ graslandvernietigingsregels. Daarmee is een korting na graslandvernietiging/vernieuwing in 2026 niet (meer) van toepassing. Daarnaast vervalt de eis, zoals die geldt voor derogatiebedrijven in NV-gebied, dat na graslandvernietiging een stikstofbehoeftig gewas geteeld moet worden. Let op: voorgaande maatregelen vervallen enkel op klei- en veengrond. Op zand- en lössgrond blijven de graslandvernietigingsregels ongewijzigd.
Derogatiebedrijven moeten op percelen klei- en veengrond in een NV-gebied verplicht een vanggewas telen na mais. Deze verplichting vervalt in 2026.
Diverse onderhandelingen voor de huidige derogatie hebben geleid tot generieke maatregelen. Deze maatregelen zijn in Nederlandse wet- en regelgeving uitgewerkt. Het betreft algemene maatregelen welke niet zijn gekoppeld aan een derogatievergunning. Daardoor blijven de maatregelen ook vanaf 2026 van kracht. Het gaat onder andere om onderstaande maatregelen.
Alle bedrijven moeten jaarlijks een bemestingsplan blijven opstellen. De voorwaarden voor dit bemestingsplan zijn voor alle bedrijven gelijk en overeenkomstig de huidige voorwaarde voor ‘niet-derogatiebedrijven’. Anders dan voor derogatie is het niet verplicht om het bemestingsplan aan te passen na wijzigingen en zijn grondmonsters niet verplicht. Daarnaast volstaat ook een planning per gewas, in plaats van per perceel. Het bemestingsplan moet, tenzij anders gecommuniceerd, uiterlijk 14 februari in de eigen administratie worden opgenomen.
Het blijft verplicht om bemestingsvrije zones (bufferstroken) aan te houden langs waterlopen. Vooralsnog blijven de voorwaarden, zoals de breedte, gelijk.
Per 2026 treedt ook het 8e Actieprogramma in werking. Volgens het concept zouden de voorwaarden voor de bufferstroken in een beperkt aantal gebieden wijzigen per 2027.
De huidige nationale mestproductieplafonds zijn overgenomen uit de derogatiebeschikking. Deze blijven ook na 2025 van kracht. De sectorale mestproductieplafonds blijven ook bestaan, maar zijn niet ‘opgelegd’ vanuit de derogatiebeschikking.
Alle bedrijven moeten de ‘aanvullende gegevens’ blijven indienen. De gegevens kunnen vanaf 1 januari 2026 worden doorgegeven. Uiterlijk 31 januari 2026 moeten de gegevens zijn ingediend.
Met het vervallen van de derogatie geldt per 2026 voor alle bedrijven een maximum van 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare. Wellicht dat het met de introductie van Renure mogelijk wordt om vanaf 2026, onder voorwaarden, bewerkte dierlijke mest bovenop deze norm van 170 kg te gebruiken.
De huidige NV-gebieden zijn aangewezen naar aanleiding van de derogatiebeschikking. Per 2026 worden de NV-gebieden waarschijnlijk ‘vervangen’ voor aandachtsgebieden stikstof en/of fosfor.