De eerste grassnede van dit voorjaar – vaak rond Koningsdag geoogst – is in veel regio’s opvallend suikerrijk (>200 g/kg/DS), met een laag NDF-gehalte en een hoge celwandverteerbaarheid. Het resultaat: een “snelle” kuil met hoge voederwaarde en een sterke opname
Na koude nachten bevat gras vaak extra suiker. Overdag gaat de suikerproductie door, terwijl dit ’s nachts vertraagt. En de plant verbruikt ’s nachts ook minder suiker. Vooral ademhaling en groei liggen stil bij lage temperaturen. De suikers worden dan als het ware “opgeslagen” in de plant.
De verleiding is groot om de tweede snede later te maaien voor meer structuur en hogere NDF-gehalten. Dat lijkt logisch, maar zorgt meestal ook voor:
Het later maaien om meer structuur te creëren is daarmee een duurdere manier. Je levert per hectare juist veel potentiële melkproductie in. Vaak is het efficiënter om kwalitatieve snedes te blijven winnen en eventuele extra structuur gericht aan te kopen.
Bij de tweede grassnede ligt de uitdaging vaak niet alleen in behalen van een hoge voederwaarde, maar vooral in het vasthouden van die voederwaarde tijdens inkuilen en bewaring. Let vooral op het droge stofpercentage:
Te nat inkuilen geeft risico op:
Te droog inkuilen verhoogt juist de kans op:
Voor veel tweede snedes ligt een praktisch streeftraject rond:
Ligt de tweede snede bovenop een suikerrijke eerste snede, is verdichting van de toplaag en overgangslaag extra belangrijk. Restzuurstof in combinatie met suikerrijk gras vergroot de kans op broei en conserveringsverliezen. Bij een suikerrijke eerste snede hebben gisten bovendien veel substraat beschikbaar. Zodra zuurstof aanwezig blijft, kunnen zij snel suikers en melkzuur omzetten in warmte.
Inkuilmiddelen (SiloSolve FC) die zowel homofermentatieve als heterofermentatieve bacteriestammen bevatten kunnen bij deze situatie toegevoegde waarde hebben — maar het doel van het middel moet goed aansluiten bij het risico in de kuil. Juist bij de huidige suikerrijke, snel fermenteerbare eerste snedes en een tweede snede die daar bovenop wordt ingekuild, ontstaat een interessante afweging tussen snelle en efficiënte conservering versus maximale broeistabiliteit.
Homofermentatieve bactereriën zetten suikers voornamelijk om in melkzuur. Hierdoor daalt de pH snel. Voordelen hiervan zijn:
Dat kan vooral interessant zijn bij:
Het aandachtspunt blijft wel dat een kuil met veel melkzuur en restsuikers later gevoeliger kan zijn voor broei zodra er weer zuurstof bijkomt.
Heterofermentatieve bacteriën produceren naast melkzuur ook onder andere azijnzuur. Dat remt de activiteit van gisten en schimmels. Juist bij:
Deze middelen verbeteren doorgaans: